Aanval

Ik zat te genieten van een kopje cappuccino toen twee vrouwen aan het tafeltje naast mij kwamen zitten. De ene had donker, kort haar en de ander een bos dansende, blonde krullen. Ze droeg een grote sjaal die ze met een elegante zwaai over een vrije stoel gooide. ‘Wat ik nou weer had, Mar, je gelooft het niet.’
Als ik iemand dat hoor zeggen, moet ik meeluisteren. Gelukkig vertelde ze snel verder. ‘Je weet dat Bert voor zijn werk in Berlijn is en Merel voor haar studie in Schotland. Ik ben al een paar dagen alleen thuis. Ga ik gistermiddag m’n haar wassen, hoor ik ineens gestommel. Er was iemand in huis.’ Ze tikte met haar wijsvinger op het tafelblad, alsof huis en indringer in miniatuurvorm voor haar stonden. ‘Ik zie die kerel al voor me en in een flits bedenk ik dat ik een wapen nodig heb. De aanval is de beste verdediging.’
Het wapen van haar keuze werd de wisser. Heel veel meer heeft een mens in een douchecabine nu eenmaal niet voor handen.
‘Ik stap uit de douche. En je moet je voorstellen, Mar, de shampoo zit nog in mijn haar en m’n hart klopt in m’n keel. Ik pak m’n badjas, knoop de ceintuur dicht en haal diep adem. Niet twijfelen nu. Handelen!’
Bij die woorden stak ze haar vuist in de lucht als een boer op het Malieveld. ‘Ik gooi de deur open, hef m’n wisser en grijp met m’n andere hand naar de ceintuur omdat die bijna los schiet. Zie ik Merel ineens voor me staan. En naast haar een wildvreemde knul die me verschrikt aankijkt. Blijkt het John te zijn! John uit Edinburgh.’
Haar vriendin zette grote ogen op. ‘Je bedoelt die jongen waar ze zo verliefd op is? Je misschien wel toekomstige schoonzoon? Die John?’
De blonde knikte. Ze nestelde zich dieper in haar stoel en nam een paar flinke slokken van haar wijn. ‘Met een bleek koppie stelde hij zich aan me voor. Gelukkig bedacht ik net op tijd dat ik geen vrije hand had om die van hem mee aan te nemen.’

Dit verhaal is gepubliceerd in het weekblad ‘West-Friesland op Zondag’ van 3 november 2019.

Delen mag natuurlijk altijd

LED

Ik wilde het leeslampje voor mijn dochter afrekenen. Voor mij stond een goedgeklede vrouw. Ze vertelde dat ze een wandlamp van haar kinderen had gekregen en nu zocht ze er een lampje bij.
‘Dat wordt een ledlamp’, zei de man van de lampenwinkel. Hij droeg een grote snor en had een blauwe stofjas aan. ‘Hoeveel Kelvin had u gedacht? 2000 of 2700?’ Hij zette twee doosjes voor haar neer.
De vrouw had duidelijk nog nooit aan Kelvin gedacht. ‘Kiest u maar’, zei ze vol vertrouwen.
‘Dan wordt het de 2000’, zei de man. ‘De 2700 valt erg vaak tegen.’ Eén doosje ging terug en hij zette drie andere voor haar neer. ‘Ik heb hem in 130, 250 en 450 lumen.’
De vrouw boog zich over de doosjes. ‘Lumen? Kunt u mij zeggen wat dat is?’
‘Watt is het probleem niet. Ze zijn allemaal A++.’ Hij keek haar met enige trots aan. ‘We proberen het eerst maar eens met de 250.’ Hij opende het doosje. ‘Dat zal je meemaken. Het is een e14.’ Hij graaide in het schap achter hem. ‘Ja, hier heb ik een e27, 250 lumen, maar het is een 2700. Dat wilden we niet.’ Hij gaf haar een knipoog.
Er verschenen steeds meer doosjes op de toonbank. De man leek van geen ophouden te weten. De vrouw volgde hem als een toeschouwer bij een tenniswedstrijd. Zo af en toe schudde ze haar hoofd. Uiteindelijk onderbrak ze hem. ‘Meneer’, zei ze, ‘een gewone gloeilamp, is dat niet een idee?’
De verkoper keek haar aan alsof ze hem een oneerbaar voorstel had gedaan. ‘Dan overtreden we de wet, mevrouw. Dat wilt u toch niet?’
Met een verontschuldigende blik draaide ze zich naar mij. Dat wilde ze inderdaad niet. Hij pakte zijn verhaal weer op. Zij keek naar de groeiende verzameling doosjes en lampjes voor haar, zuchtte luid en draaide zich weer naar mij. ‘Heeft u misschien interesse in een wandlamp? Voor een paar euro mag u hem hebben.’

Dit verhaal is gepubliceerd in het weekblad ‘West-Friesland op Zondag’ van 6 oktober 2019.

Delen mag natuurlijk altijd

Generale

Voor de tweede keer dat jaar was hij aanwezig op zijn eigen begrafenis. Drie maanden geleden had hij zich ingeschreven in het register ‘Vrijwillig Gekozen Dood’. Hij had de vastgestelde leeftijd van 53 jaar bereikt. Bij tijdige inschrijving kreeg hij als kunstenaar onder deze regering vijf extra levensjaren cadeau.
De virtuele versie van zijn begrafenis was goed verlopen. De funeralplanner kon de regie overnemen en plande de generale repetitie in. Het leek nergens op.
Voor de kathedraal stond een zwarte rouwauto geparkeerd. Zwart. Hij wilde geel. Hij had het bij zijn collega’s gezien. Een donkere auto viel weg in de schaduwen van de stad. Dat mocht hem niet gebeuren. Hij moest stralen als de zon.
In de kathedraal, naast het condoleanceregister, stonden zijn beide exen met elkaar te kibbelen als twee kleine peuters. Hij had duidelijk vermeld dat hij ze er niet bij wilde hebben. En zijn zus, zijn enige zus, van wie je toch het nodige respect mocht verwachten, stond naast de kist te zweten als een otter. ‘Het is de overgang’, zei ze. Maar vandaag moest het over zijn overgang gaan.
En dan de kaarsen. Ze waren wit. Hij had om felgekleurde gevraagd. Het was toch zeker algemeen bekend dat hij in zijn schilderijen geen wit gebruikte. Nooit. Hij haatte wit. Hij werkte alleen met primaire en secundaire kleuren. Zo was hij erin geslaagd om met potloden in slechts zes tinten zijn gehele oeuvre bij elkaar te krassen. Een onbetaalbaar oeuvre, zeker straks, na zijn dood.
Zo bekroop hem het gevoel dat hij begraven werd als de eerste de beste reclamefolderbezorger. Terwijl zijn manifest meer betekend had dan dat van Cobra en Dogma 95 bij elkaar. Geen schilder waagde zich daarna nog aan houtskool of olieverf.
Hij deed zijn beklag. De funeralplanner keek even op van zijn mobiele telefoon en ontnam hem het woord. ‘Het doet er niet meer toe’, zei hij. ‘Zojuist is er een nieuwe regering aangetreden. Het beroep van kunstenaar is afgeschaft. Uw vijf bonusjaren trouwens ook.’

Dit was een bijzondere wekelijkse schrijfopdracht (bedacht door Annette Rijsdam) van Schrijven Online. De eerste zin stond vast en de volgende vijf elementen moesten in het verhaal voorkomen: een reclamefolderbezorger, twee peuters, een gele auto, zes kleurpotloden en een otter.

Delen mag natuurlijk altijd

Zachte landing

Vandaag maakt haar man zijn eerste solosprong. Marja is bij elke oefening aanwezig geweest, maar dit wil ze niet zien. Ze zet hem bij het vliegveld af en rijdt met de kleinkinderen naar het vlakbij gelegen pretpark. Ze vermaken zich kostelijk op het springkussen.
Plotseling stopt Robin met springen. Hij kijkt omhoog. ‘Kijk oma, opa vliegt.’
Marja volgt het omhoog gestoken armpje van haar kleinzoon en besluit razendsnel dat dit een van die momenten is waarop het erop aan komt de rust te bewaren. Jaap vliegt niet, hij valt. De weinige haren die hij nog heeft, wapperen in de wind. Ze herinnert zich zijn lessen en schreeuwt omhoog. ‘Aan het gele koordje trekken, Jaap. Het gele koordje.’
Ze kan het niet zo heel goed zien, maar het lijkt erop dat Jaap aan het koordje rechts trekt, het blauwe. Marja zucht. Die man kan ook nooit eens iets goed doen. Ze roept haar kroost bijeen. Het is één ding dat hij valt, maar dan toch in ieder geval niet boven op de kleinkinderen. Ze waarschuwt ook de andere kleuters, die niets van het naderend onheil in de gaten hebben. ‘D’r vanaf. Allemaal d’r vanaf.’ Het is het enige wat ze nog kan doen. Ruim baan maken en er maar het beste van hopen.
Er klinkt een harde plof. Haar Jaap, haar onhandige, maar allerliefste Jaap, landt midden op het springkussen. Hij stuitert nog drie keer omhoog en blijft dan op zijn billen zitten. Hij kijkt beduusd om zich heen.
Marja hossebost over het kussen naar hem toe.
‘Hij deed het niet’, zegt haar man met een zacht stemmetje. Trillend wijst hij naar het blauwe koordje.
Ze zucht. ‘Die gele. Ik zei het nog. Je moest die gele hebben.’ En dan omhelst ze hem.

Dit verhaal stond in het weekblad ‘West-Friesland op Zondag’ van 8 september 2019.

Delen mag natuurlijk altijd

Wortelkanaal

‘Geef toch die rode maar.’ Ze neemt het stiftje van de assistente aan en leidt hem het wortelkanaal in. Het is tropisch warm. Het kanaal is lang. Waanzinnig lang. Amsterdam-Rijnkanaal. Er komt geen einde aan. Wilhelminakanaal. Eemskanaal. Noordzeekanaal! Ze duikt onder, voelt een frisse wind als ze weer boven komt. Verder wil ze. Naar open water. Dobberen op de golven. Verfrissing. Vakantie. Eindelijk.
’Eenentwintig millimeter. Wil je de elektrische meter?’
De ongeduldige stem van de assistente. Het geruis van de wind is geen wind. Ventilator. Patiënt onder haar handen. De elektrische meter. Nog even dan. Nog eenentwintig millimeter.

Dit ultra korte verhaal is gepubliceerd in het katern Alice van Schrijven Magazine. 

Delen mag natuurlijk altijd

Lift

De lift verscheen op het zebrapad tegenover de bioscoop. Ik stond als enige voor de geopende deuren, mijn aktetas in mijn rechterhand. De liftboy verzocht me in te stappen. Ik twijfelde, maar begreep dat ik niets te kiezen had. De deuren sloten direct.
‘Wat is dit?’, vroeg ik.
‘Het einde’, zei hij.
Aan de cijfers boven de deur zag ik dat we omlaag gingen. ‘Ik wil niet naar beneden’, zei ik. ‘Ik wil omhoog.’
‘Dat is ons bekend’, zei de liftboy.
De cijfers boven de deur gaven -6 aan. De lift stopte. Een oude dame met in haar armen een kat stapte naar binnen. De liftjongen reageerde verbaasd. ‘Wat doet u hier?’
‘Er is mij verteld dat ik een overstap moet maken,’ zei de vrouw.
‘Ach zo,’ zei de liftjongen. Hij richtte zich tot mij. ‘Ik moet mij verontschuldigen. Dit gebeurt soms. Het is een complexe operatie. De logistiek laat soms te wensen over.’
Aan de cijfers boven de deur zag ik dat etage na etage voorbij schoof. De oude dame zette haar kat op de grond. ‘Waar gaat u naartoe?’, vroeg ze.
‘Dat weet ik niet.’
‘Hebben ze u dat niet verteld?’
‘Nee.’
Ze sloeg haar ogen neer. ‘Dat is bijzonder spijtig. Maar u zult het verdiend hebben. Ik ga naar mijn man.’ Op de 18de etage hield de lift stil. ‘Kijk, daar is hij.’ De vrouw pakte haar kat op en verdween.
‘En nou wil ik verdomme weten wat hier aan de hand is.’
De deuren gingen dicht, ik kreeg geen antwoord en in een fractie van een seconde vielen we van de 18de etage terug naar -6.
Ik bood een ton, een miljoen, ik bood hem alles wat ik bezat. De liftbediende reageerde niet. ‘Dit is uw verdieping’, zei hij uiteindelijk. De cijfers boven de deur gaven -42 aan. ‘Ik verzoek u de lift te verlaten.’
De deuren gingen open. Ik stond buiten.
‘Hier is niets’, zei ik. ‘Helemaal niets.’
‘Hier beneden is het altijd anders dan jullie verwachten’, zei de jongen. ‘Ik probeer er niet om te lachen.’ Daarna verdween hij.

Dit verhaal is gepubliceerd in het katern Alice van Schrijven Magazine. 

Delen mag natuurlijk altijd

Krantenmeisje

Mijn kamer is nog dezelfde als vier weken geleden. Niets veranderd. De balletposter aan de muur hangt er nog. Mijn moeder had hem weg kunnen halen. Dat heeft ze niet gedaan. Misschien maar goed ook. Juist het verdwijnen ervan zou pijnlijk zijn. Ik wil geen balletdanseres worden. Ik dans gewoon graag. Danste. Het is wennen om in de verleden tijd over mezelf te praten.

Probeer aan iets leuks te denken, zeggen ze. Het leidt je af en het bevordert het herstel. Dus ik doe mijn best. Op de muur tegenover mij hangt een poster van de plattegrond van Rome. Dat was leuk. Met de hele klas door de stad slenteren, rond blijven hangen in het Pantheon omdat ik wilde zien hoe het licht verschuift, een terrasje pakken op het Piazza Navona en er niet aan denken dat je voor één glas cola heel veel kranten rond moet brengen.

Over twee maanden gaat mijn school op skireis. Ik had me al aangemeld.

Ze zeggen dat ik van geluk mag spreken. De tassen achterop hebben de ergste klap opgevangen. Ik bracht kranten rond, toen jij ineens opdook. Uit het niets. Vanuit het donker. Heel kort zag ik mijn schaduw in het schijnsel van jouw koplampen. Daarna de klap. Ik wil niet denken aan de klap. Ik moet aan iets leuks te denken.

Justin Bieber. Hij hangt boven me, links en rechts van me. Hij is overal in deze kamer. Ik ga terug naar dat onvergetelijke concert. Met mijn vriendinnen naar Arnhem. We hadden bijna de trein gemist en we moesten rennen. Drie giechelende meiden. De conducteur wachtte op ons. We hebben genoten en gelachen. Fleur en Sophie zijn één keer bij me geweest. In het ziekenhuis. Ze zaten naast mijn bed, dicht tegen elkaar aan. Ze hielden elkaars hand vast. Niet die van mij. Daarna heb ik ze niet meer gezien. Ik snap dat wel. Het is moeilijk als je zestien bent.

Mijn rug doet pijn. Ik wil me op mijn zij draaien, maar dat kan ik niet. Ik heb daar hulp bij nodig. Daarom heb ik een belletje bij mijn bed. Maar ik heb zojuist ook al gebeld, ik had de po nodig, en ik wil mijn moeder niet te vaak tot last zijn. Ik moet proberen aan iets leuks te denken. Dat helpt, zeggen ze, maar dat valt niet mee als je plassen moet.

De artsen zeggen dat ik het gevoel in mijn benen terug kan krijgen. Op den duur. Revalidatie zal minstens een half jaar duren, zeggen ze. Nu is rust nodig. Mijn hoofd raakte de grond hard toen jouw auto mijn fiets raakte. Waarom reed je door? Waarom ben je niet gestopt? Uitgestapt? Weet je hoe lang ik daar in het donker alleen op de grond heb gelegen?

Ik moet aan leuke dingen denken, maar ik heb alleen mijn herinneringen. Herinneringen waarin ik kan rennen, dansen, slenteren. Ik denk daarom het liefst aan de agent die aan mijn bed zal staan om te zeggen dat ze je gevonden hebben.

Delen mag natuurlijk altijd

Safari

‘Schiet dan!’
‘Nee.’
‘We hebben verdomme dertigduizend euro voor deze trip neergelegd. Schieten! Nu!’
‘Ik kan het niet.’
‘Ik kan het niet. Ik kan het niet. Wat ben je voor een slappeling?’
‘Kijk dan hoe ze drinkt. Onschuldig. Dorstig. Levend.’
‘Het is een dier. Een wild beest. Als de rollen omgedraaid waren, had ze ons allang te grazen genomen. Pak dat geweer!’
‘Ze is prachtig.’
‘Ja, als trofee aan de wand. Kom op nou, man. Straks smeert ze hem.’
‘Ze is kansloos.’
‘Dat is wel het idee, ja.’
‘Heb je er weleens over nagedacht? Over het gemak waarmee jij een dier doodt. Een leven neemt. Is het dan niet zo dat je ook geen moeite hebt met elke andere vorm van geweld?’
‘Psychologie van de kouwe grond. De mens is een jager, het dier zijn prooi. Het is ons recht. Bovendien, ze is zelf een kille moordenaar. Weleens gezien hoe ze de strot van een antilope doorbijt.’
‘Ze jaagt voor voedsel, niet voor plezier.’
‘En wat weet jij daarvan? Kan jij soms in de kop van dat beest kijken? Ik dacht het niet. Pak dat geweer op en schiet.’
‘Nee.’
‘Verdomme, kijk nou wat je doet. Ze schrikt op. Dertigduizend euro. Ik zal d’r hoe dan ook wat voor terugkrijgen. Hier met dat geweer. Of wou je me soms tegenhouden? Niet hè. Dat dacht ik al.’

Delen mag natuurlijk altijd

Bij

Afgelopen weekend was het bijentelweekend. De officiële naam is Nationale Bijentelling. Dat klinkt al een stuk belangrijker. Terecht, want er zijn te weinig bijen. Veel te weinig. Dat is niet alleen heel vervelend voor de bij, maar ook voor ons. Bijen zijn nodig bij de bestuiving van gewassen. Van fruit bijvoorbeeld. En groente. Of de vruchten van de cacaoboom, chocolade dus.

Op de radio hoorde ik dat de bij erg gesteld is op de paardenbloem. Zo vroeg in het voorjaar is het een belangrijke voedselbron voor hem. De kans is dus groot dat je bijen aantreft in een veld met paardenbloemen.

Ik heb een hond. Daarom wandel ik veel. Over de dijk, door het park, langs braakliggend terrein en over grasveldjes. Ik heb honderden, misschien wel duizenden paardenbloemen gezien. En geen enkele bij. Verder lezen →

Delen mag natuurlijk altijd

Spelling of spelletje?

Zo af en toe zie ik ze voorbijkomen; amateurschrijvers, aspirant-schrijvers of hoe we ons ook moeten noemen die spelling en stijl onbelangrijk vinden. Soms krijg ik zelfs de indruk dat ze zich verzetten tegen het zo foutloos mogelijk Nederlands schrijven of dat ze er de spot mee drijven. Ik begrijp dat niet.

Ik kan het begrijpen dat iemand zich niet laat tegenhouden door zoiets als spelling als je je in taal wilt uitdrukken, als je wilt schrijven, verhalen vertellen, personages verzinnen. Als die drang er is, moet je ervoor gaan. Maar wat weerhoudt je ervan je teksten na te lezen, te herschrijven en te corrigeren? Op internet zijn er genoeg mogelijkheden om je kennis van het Nederlands op te frissen of om bij te leren, als dat nodig is. Verder lezen →

Delen mag natuurlijk altijd