Lift

De lift verscheen op het zebrapad tegenover de bioscoop. Ik stond als enige voor de geopende deuren, mijn aktetas in mijn rechterhand. De liftboy verzocht me in te stappen. Ik twijfelde, maar begreep dat ik niets te kiezen had. De deuren sloten direct.
‘Wat is dit?’, vroeg ik.
‘Het einde’, zei hij.
Aan de cijfers boven de deur zag ik dat we omlaag gingen. ‘Ik wil niet naar beneden’, zei ik. ‘Ik wil omhoog.’
‘Dat is ons bekend’, zei de liftboy.
De cijfers boven de deur gaven -6 aan. De lift stopte. Een oude dame met in haar armen een kat stapte naar binnen. De liftjongen reageerde verbaasd. ‘Wat doet u hier?’
‘Er is mij verteld dat ik een overstap moet maken,’ zei de vrouw.
‘Ach zo,’ zei de liftjongen. Hij richtte zich tot mij. ‘Ik moet mij verontschuldigen. Dit gebeurt soms. Het is een complexe operatie. De logistiek laat soms te wensen over.’
Aan de cijfers boven de deur zag ik dat etage na etage voorbij schoof. De oude dame zette haar kat op de grond. ‘Waar gaat u naartoe?’, vroeg ze.
‘Dat weet ik niet.’
‘Hebben ze u dat niet verteld?’
‘Nee.’
Ze sloeg haar ogen neer. ‘Dat is bijzonder spijtig. Maar u zult het verdiend hebben. Ik ga naar mijn man.’ Op de 18de etage hield de lift stil. ‘Kijk, daar is hij.’ De vrouw pakte haar kat op en verdween.
‘En nou wil ik verdomme weten wat hier aan de hand is.’
De deuren gingen dicht, ik kreeg geen antwoord en in een fractie van een seconde vielen we van de 18de etage terug naar -6.
Ik bood een ton, een miljoen, ik bood hem alles wat ik bezat. De liftbediende reageerde niet. ‘Dit is uw verdieping’, zei hij uiteindelijk. De cijfers boven de deur gaven -42 aan. ‘Ik verzoek u de lift te verlaten.’
De deuren gingen open. Ik stond buiten.
‘Hier is niets’, zei ik. ‘Helemaal niets.’
‘Hier beneden is het altijd anders dan jullie verwachten’, zei de jongen. ‘Ik probeer er niet om te lachen.’ Daarna verdween hij.

Dit verhaal is gepubliceerd in het katern Alice van Schrijven Magazine. 

Delen mag natuurlijk altijd

Krantenmeisje

Mijn kamer is nog dezelfde als vier weken geleden. Niets veranderd. De balletposter aan de muur hangt er nog. Mijn moeder had hem weg kunnen halen. Dat heeft ze niet gedaan. Misschien maar goed ook. Juist het verdwijnen ervan zou pijnlijk zijn. Ik wil geen balletdanseres worden. Ik dans gewoon graag. Danste. Het is wennen om in de verleden tijd over mezelf te praten.

Probeer aan iets leuks te denken, zeggen ze. Het leidt je af en het bevordert het herstel. Dus ik doe mijn best. Op de muur tegenover mij hangt een poster van de plattegrond van Rome. Dat was leuk. Met de hele klas door de stad slenteren, rond blijven hangen in het Pantheon omdat ik wilde zien hoe het licht verschuift, een terrasje pakken op het Piazza Navona en er niet aan denken dat je voor één glas cola heel veel kranten rond moet brengen.

Over twee maanden gaat mijn school op skireis. Ik had me al aangemeld.

Ze zeggen dat ik van geluk mag spreken. De tassen achterop hebben de ergste klap opgevangen. Ik bracht kranten rond, toen jij ineens opdook. Uit het niets. Vanuit het donker. Heel kort zag ik mijn schaduw in het schijnsel van jouw koplampen. Daarna de klap. Ik wil niet denken aan de klap. Ik moet aan iets leuks te denken.

Justin Bieber. Hij hangt boven me, links en rechts van me. Hij is overal in deze kamer. Ik ga terug naar dat onvergetelijke concert. Met mijn vriendinnen naar Arnhem. We hadden bijna de trein gemist en we moesten rennen. Drie giechelende meiden. De conducteur wachtte op ons. We hebben genoten en gelachen. Fleur en Sophie zijn één keer bij me geweest. In het ziekenhuis. Ze zaten naast mijn bed, dicht tegen elkaar aan. Ze hielden elkaars hand vast. Niet die van mij. Daarna heb ik ze niet meer gezien. Ik snap dat wel. Het is moeilijk als je zestien bent.

Mijn rug doet pijn. Ik wil me op mijn zij draaien, maar dat kan ik niet. Ik heb daar hulp bij nodig. Daarom heb ik een belletje bij mijn bed. Maar ik heb zojuist ook al gebeld, ik had de po nodig, en ik wil mijn moeder niet te vaak tot last zijn. Ik moet proberen aan iets leuks te denken. Dat helpt, zeggen ze, maar dat valt niet mee als je plassen moet.

De artsen zeggen dat ik het gevoel in mijn benen terug kan krijgen. Op den duur. Revalidatie zal minstens een half jaar duren, zeggen ze. Nu is rust nodig. Mijn hoofd raakte de grond hard toen jouw auto mijn fiets raakte. Waarom reed je door? Waarom ben je niet gestopt? Uitgestapt? Weet je hoe lang ik daar in het donker alleen op de grond heb gelegen?

Ik moet aan leuke dingen denken, maar ik heb alleen mijn herinneringen. Herinneringen waarin ik kan rennen, dansen, slenteren. Ik denk daarom het liefst aan de agent die aan mijn bed zal staan om te zeggen dat ze je gevonden hebben.

Delen mag natuurlijk altijd

Safari

‘Schiet dan!’
‘Nee.’
‘We hebben verdomme dertigduizend euro voor deze trip neergelegd. Schieten! Nu!’
‘Ik kan het niet.’
‘Ik kan het niet. Ik kan het niet. Wat ben je voor een slappeling?’
‘Kijk dan hoe ze drinkt. Onschuldig. Dorstig. Levend.’
‘Het is een dier. Een wild beest. Als de rollen omgedraaid waren, had ze ons allang te grazen genomen. Pak dat geweer!’
‘Ze is prachtig.’
‘Ja, als trofee aan de wand. Kom op nou, man. Straks smeert ze hem.’
‘Ze is kansloos.’
‘Dat is wel het idee, ja.’
‘Heb je er weleens over nagedacht? Over het gemak waarmee jij een dier doodt. Een leven neemt. Is het dan niet zo dat je ook geen moeite hebt met elke andere vorm van geweld?’
‘Psychologie van de kouwe grond. De mens is een jager, het dier zijn prooi. Het is ons recht. Bovendien, ze is zelf een kille moordenaar. Weleens gezien hoe ze de strot van een antilope doorbijt.’
‘Ze jaagt voor voedsel, niet voor plezier.’
‘En wat weet jij daarvan? Kan jij soms in de kop van dat beest kijken? Ik dacht het niet. Pak dat geweer op en schiet.’
‘Nee.’
‘Verdomme, kijk nou wat je doet. Ze schrikt op. Dertigduizend euro. Ik zal d’r hoe dan ook wat voor terugkrijgen. Hier met dat geweer. Of wou je me soms tegenhouden? Niet hè. Dat dacht ik al.’

Delen mag natuurlijk altijd

Bij

Afgelopen weekend was het bijentelweekend. De officiële naam is Nationale Bijentelling. Dat klinkt al een stuk belangrijker. Terecht, want er zijn te weinig bijen. Veel te weinig. Dat is niet alleen heel vervelend voor de bij, maar ook voor ons. Bijen zijn nodig bij de bestuiving van gewassen. Van fruit bijvoorbeeld. En groente. Of de vruchten van de cacaoboom, chocolade dus.

Op de radio hoorde ik dat de bij erg gesteld is op de paardenbloem. Zo vroeg in het voorjaar is het een belangrijke voedselbron voor hem. De kans is dus groot dat je bijen aantreft in een veld met paardenbloemen.

Ik heb een hond. Daarom wandel ik veel. Over de dijk, door het park, langs braakliggend terrein en over grasveldjes. Ik heb honderden, misschien wel duizenden paardenbloemen gezien. En geen enkele bij. Verder lezen →

Delen mag natuurlijk altijd

Spelling of spelletje?

Zo af en toe zie ik ze voorbijkomen; amateurschrijvers, aspirant-schrijvers of hoe we ons ook moeten noemen die spelling en stijl onbelangrijk vinden. Soms krijg ik zelfs de indruk dat ze zich verzetten tegen het zo foutloos mogelijk Nederlands schrijven of dat ze er de spot mee drijven. Ik begrijp dat niet.

Ik kan het begrijpen dat iemand zich niet laat tegenhouden door zoiets als spelling als je je in taal wilt uitdrukken, als je wilt schrijven, verhalen vertellen, personages verzinnen. Als die drang er is, moet je ervoor gaan. Maar wat weerhoudt je ervan je teksten na te lezen, te herschrijven en te corrigeren? Op internet zijn er genoeg mogelijkheden om je kennis van het Nederlands op te frissen of om bij te leren, als dat nodig is. Verder lezen →

Delen mag natuurlijk altijd

Catwalk

Ik genoot van de zon en de geur van dennennaalden toen Beau met een razende vaart bij mij vandaan sprintte. Ik wist genoeg. En ik wist dat ik te laat was. Ik rende achter hem aan en daar stond hij, mijn allerliefste labrador. Middenin een ondiepe modderpoel. Hij keek me triomfantelijk aan. Dat had ie toch maar weer mooi geflikt. De stank die uit de poel omhoogkwam, was niet te harden. Rotte bladeren, schimmels en mossen hadden het water veranderd in een zwarte, olieachtige smurrie. Beau wentelde zich er heerlijk in rond.
‘Wat is ie vies.’
Een hoog, lijzig stemmetje. Ik draaide me om. Achter mij stond een modieus geklede, jonge vrouw. Een blonde verschijning waarvan je je afvroeg wat ze in hemelsnaam in een natgeregend bos te zoeken had. Ze slaakte hoge kreetjes en bij het uitspreken van het woord ‘vies’ begon ze nerveus met haar handen te wapperen. Verder lezen →

Delen mag natuurlijk altijd

Gezond

Ze wilde iets gezonds eten. Dan was ze in zijn groentezaak aan het goede adres. ‘Een pondje tomaten?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Daar ben ik allergisch voor.’
‘Komkommer?’
‘Een pure gifbom.’
Hij wees naar het fruit. ‘Een trosje bananen?’
‘Te veel calorieën.’
‘Aardbeien?’
Ze trok een vies gezicht. ‘Zit suiker in.’
‘Een kolfje mais?’
‘Verkeerde proteïnen.’
Hij was het zat. Hij draaide zijn handpalm naar boven en stak zijn hand naar haar uit. ‘Ik denk dat je dit zoekt.’
Ze keek hem verbaasd aan. ‘Je hand is leeg.’
Hij knikte. ‘Dat klopt. Het is lucht. Gebakken lucht. Eet smakelijk.’

Delen mag natuurlijk altijd

Led

Mevrouw De Vries had een nieuwe wandlamp gekocht. Italiaans design, strak en toch sierlijk. Ze was er bijzonder tevreden mee, maar er zat geen lampje bij. Haar buurman Tinus wist wel raad met dit soort problemen. Hij zette een grote schoenendoos op de salontafel. ‘Het wordt een ledlamp’, zei hij op een toon die geen tegenspraak duldde. ‘Hoeveel Kelvin wil je hebben? 2000 of 2700?’ Hij rommelde in de schoenendoos en zette twee doosjes voor haar neer. Verder lezen →

Delen mag natuurlijk altijd

Vlees

Mijn slager gaat steeds meer op zijn eigen waar lijken. Een forse varkensneus ontsiert zijn ronde gezicht. Zijn lippen hebben veel weg van twee boven elkaar geplaatste knakworstjes. Zijn oren lijken op varkenskoteletjes en zijn huid is gevlekt als lang gerijpte salami. Zijn wangen hangen erbij als lillende stukken lever en hij heeft een onderkin als een dubbele kipfilet. Zijn slagersjas is te klein en bindt zijn lijf in als een vette rollade. Zijn worstenvingertjes vervullen mij elke keer met afschuw als hij mij mijn wisselgeld geeft. Maar God, wat heeft die man een heerlijke hamlappen.

Delen mag natuurlijk altijd

Het verhaal achter het verhaal: hoe origineel moet het zijn?

Hoe origineel moet een verhaal zijn? Het is een vraag waar ik me tijdens het schrijven niet al te nadrukkelijk mee bezig houd. Gelukkig niet, zou ik bijna zeggen, want ik denk dat dit het schrijfproces behoorlijk in de weg kan staan. Toch is dat precies wat er gebeurde bij het verhaal Stoom. Josefien denk dat er een insluiper in huis is. Gekleed in een badjas en gewapend met een deurwisser verlaat ze de badkamer. Dan blijkt dat ze zich pijnlijk vergist.

Eerste versie
In de eerste versie van het verhaal had ik als ontknoping een surpriseparty bedacht. Josefien opent de deur naar de woonkamer en dan klinkt het bekende ‘surprise!’. En daar staan familie en vrienden. Een pijnlijk moment voor Josefien, maar al zo vaak gebruikt in films, series en andere sketches. Verder lezen →

Delen mag natuurlijk altijd