Trouwring

Mijn eerste trouwring kostte een kwartje. Op een koude ochtend in november werd hij aan mijn vinger geschoven. Ik was negen jaar, mijn bruidegom tien. Hij heette Bart Veenstra en hij was mijn eerste vriendje. Hij had een betoverende, wat hese stem en hij droeg een hippe spijkerbroek met bijpassend jasje. Ik vond hem stoer en zacht tegelijkertijd.
Tijdens het speelkwartier, als de andere kinderen joelend en schreeuwend achter elkaar aan renden, stond hij bedachtzaam toe te kijken. Op een dag ging ik bij hem staan. ‘Ik vind je lief’, zei ik.
‘Ik vind jou ook lief’, antwoordde hij.
We werden beste maatjes en drie weken later vroeg hij of ik met hem wilde trouwen. Dat vond ik een goed idee.
In mijn moeders naaidoos vond ik een mooi stuk vitrage. Met hartjes en bloemetjes. Ik sloeg het om mijn schouders en in een kast vond ik een witte handtas van glimmende stof. Precies wat ik zocht. Een tas en een sluier, meer had een bruid niet nodig.
Bart had zich voor de gelegenheid ook netjes gekleed. Op zijn hoofd stond de hoed van zijn vader en hij leunde op een deftige wandelstok. Hij ging op zijn rechterknie zitten en uit zijn jaszak haalde hij een plastic ei. Het was een ei uit de kauwgomballenautomaat. Het lag als een kostbare parel in zijn hand. Hij zette een plechtige stem op. ‘Wil je met me trouwen?’, vroeg hij.
‘Ja,’ antwoordde ik, ‘heel graag.’
Bart draaide het ei open en haalde er de mooiste ring uit die ik ooit had gezien. Hij schoof hem aan mijn vinger en gaf me een zoen op elke wang. Toen haalde hij twee glimmende kauwgomballen uit zijn jaszak. Een rode en een gele. Ik mocht als eerste kiezen. Ik kon me geen betere bruidegom wensen.

Voor de zondagskranten ‘West-Friesland op Zondag’ en ‘Het Groene Hart’ schrijf ik maandelijks een column. Het zijn verzonnen verhaaltjes die met een been in de realiteit staan. Ze zijn geschreven voor een groot publiek. Toegankelijk en meestal met een kwinkslag.

Delen mag natuurlijk altijd