Dagboek van een slapeloze

Met dit verhaal won ik van de verhalenwedstrijd van de boekhandelaren en de bibliotheek in Hoorn. Er zou een verhalenbundel worden uitgegeven, maar dat ging niet door. Het verhaal is gepubliceerd in het Westfries Weekblad (6 april 1993). Na afloop van de presentatie bleek het verhaal voor veel mensen herkenbaar te zijn.

Dagboek van een slapeloze

Een nacht in de eerste week.

Ze ligt met haar ogen gesloten en luistert naar de geluiden van de duisternis. Het is stil om haar heen. Het huis rust, de straat rust, de hele wereld lijkt in een diepe rust. Alles gedraagt zich naar de regels van de nacht. Alleen zij niet. Zij is de spelbreker en kan alleen getuige zijn van de rust die elders heerst.
In haar lichaam heerst de onrust, opgestookt en aangewakkerd door haar wild kloppend hart. Met elke slag herinnert het haar eraan dat ze wakker ligt. Ze wil er niet naar luisteren, maar ze heeft geen keus. Het geluid dringt zich aan haar op en lijkt haar kussen en matras als klankbord te gebruiken.
Ze voelt hoe het bloed door haar lichaam gestuwd wordt. Snel, sneller, het snelst. Het maakt haar onrustig en actief. Ze kan haar benen geen moment stil houden, zelfs haar tenen moet ze afwisselend krommen en strekken. Haar lichaam stuurt zichzelf. Zij heeft er geen controle meer over.
Hoe lang ligt ze nu al weer wakker? Ze wil het niet weten. Ze durft haar ogen niet te openen. Zolang haar ogen gesloten zijn, geeft ze de slaap de kans om bij haar te komen. Haar geopende ogen zullen hem afschrikken. Ze moet ze dicht houden.
Plotseling voert haar hart het tempo op en jaagt de vraag, die ze tot nog toe op de achtergrond heeft weten te houden, in een razend tempo op naar haar hersenen. Daar klit hij zich vast, om haar te dwingen tot een antwoord. Ze kan er niet meer omheen, ze moet weten hoe laat het is. Twee uur? Half drie? Ze moet weten hoe lang ze nog heeft.
Met een korte beweging geeft ze zich gewonnen. De vrijgelaten ogen vinden wat ze zoeken. Bijna half drie.

Een nacht in de derde week.

Een uur geleden is ze naar bed gegaan en in slaap gevallen. Het inslapen vormt, zoals altijd, geen probleem.
Ze ligt in het midden van het grote tweepersoonsbed. De vorm van haar lichaam tekent zich af onder het gebloemde dekbed. Ze ligt op haar zij met de knieën iets opgetrokken. Haar rechterschouder rust op het matras. Haar linkerhand ligt onder haar hoofd, dat zacht in het donzen kussen drukt. Het kraagje van haar oude pyjama is nog net te zien.
Haar uiterlijk verraadt niet welke verandering er in haar innerlijk optreedt. Achter haar ogen begint de film langzaam te draaien, totdat de beelden onophoudelijk opdoemen. Haar hersenen beginnen op volle kracht te werken. Er is veel te doen.
Ze moet het gemiddelde aantal pluisjes van een paardebloem bepalen. Ze moet weten of het jaar 1900 een schrikkeljaar was. Ze moet een kluwen wol opwinden, waar maar geen einde aan komt. Ze moet een formulier invullen, maar ze begrijpt de vragen niet.
Achter in haar hoofd, heel ver weg, zegt een klein stemmetje dat dit allemaal onzin is. Dat ze niets moet. Het is nacht. Ze ligt in haar bed. Ze hoeft alleen maar te slapen.
Maar dat formulier is belangrijker. Het moet ingevuld worden. Het is duidelijk dat dat niet kan wachten. De vragen schieten langs haar ogen. Wat is de naam van uw eerste proces-verbaal? Door wie is uw fiets gestolen en waarom? Weet u zeker dat het om uw rijwiel gaat? De vragen malen door haar hoofd. Ze moet antwoorden, maar ze kan het niet. Ze voelt de paniek langzaam in zich opkomen.
Weer hoort ze het kleine stemmetje, dat zegt dat dit alles niet echt is. Er is geen formulier. Ze ligt immers in haar bed.
Het helpt haar niet. De waanideeën in haar hoofd zijn sterker. Ze dwingen haar tot nadenken, tot werken. Steeds meer vragen malen door haar hoofd. Ze moet de antwoorden vinden.
Haar spieren spannen zich en haar ademhaling wordt onregelmatig. De woorden tuimelen door haar hoofd en in de verte hoort ze haar hart zijn werk doen. Ineens loopt ze door de gangen van een leeg gebouw. Ze herkent de omgeving, maar weet niet waar ze is. Ze moet het weten, want anders…
Ze hoort haar hart slaan. Snel, steeds sneller. Met elke samentrekking stuwt het de onrust door haar lichaam. Naar haar maag, die ellendig en nerveus samentrekt. Naar haar hart, dat angstig kloppend een uitweg zoekt. Naar haar hoofd, waar het als een zwarte inktvlek door haar hersenen spoelt en bezit neemt van haar gevoel, haar verstand…
De ogen schrikken open en staren in de duisternis. Doodstil blijft ze liggen. Ze weet dat ze door zal blijven malen, ook nu ze wakker is. De nacht heeft haar reële denkvermogens verdreven.
Het is vijf over een.

Een dag in de zesde week.

,,Last van slapeloosheid? Hoe kom je daar nu aan?”
,,Ik slaap gewoon niet.”
,,Ach, we slapen toch allemaal weleens slecht.”
,,Ja, maar dit duurt al bijna twee maanden.”
,,Je moet je gewoon niet zo druk maken.”
,,Dat valt niet mee als het nacht is.”
,,En anders haal je toch gewoon wat slaaptabletten.”
,,Dat wil ik liever niet.”
,,Oh, dan valt het vast wel mee.”

Een nacht in de zesde week.

Ze staat voor het fornuis en draait het gas laag. Met trillende handen pakt ze de ketel op en giet het kokende water in de gereedstaande mok. Ze hangt het zakje kruidenthee erin en legt er een schoteltje bovenop.
Ze staart naar het witte schoteltje. Ze voelt zich niet goed. Haar oren suizen en haar ogen branden in haar kassen. Ze is moe, vreselijk moe. De spanning hangt om haar nek en houdt haar schouders in een ijzeren greep. Ze brengt haar handen naar de achterkant van haar hoofd en masseert de stalen spieren.
In haar bed kon ze niet langer blijven. Het dekbed klitte om haar benen en kwelde haar huid. Het losgeraakte laken verstrikte haar voeten en het klamme kussen belemmerde haar ademhaling. Haar bed had zich tegen haar gekeerd en verslagen was ze het ontvlucht.
Zuchtend legt ze haar hoofd in haar nek. Het felle keukenlicht schijnt even in haar ogen en doet haar pijn. Ze pakt de mok op en loopt naar de woonkamer. Ze zet de verwarming wat hoger en gaat op de bank zitten.
Daar zit ze dan, alleen in een verlaten kamer. Ze slaat een tijdschrift open en begint zomaar ergens te lezen. Het gaat niet. Haar ogen doen pijn, haar geest is niet in staat te registreren wat ze leest. Van vermoeidheid kan ze het blad amper in haar handen houden. Ze legt het weg.
Ze trekt haar knieën op en slaat haar armen eromheen. Met nietsziende ogen staart ze voor zich uit. Het is stil in de nachtelijke kamer. Ze voelt dat ze er niet thuishoort.
Zachtjes gaat de deur open. ,,Zit je hier weer? Het is bijna half vijf.” Met een wit gezicht kijkt ze hem aan en knikt. Hij loopt naar haar toe en legt een arm om haar heen. Huilend legt ze haar hoofd tegen zijn schouder.

Een ochtend in de zevende week.

Ze slaat het dekbed open en kruipt langzaam haar bed weer in. Ze gaat op haar rug liggen en trekt haar nachthemd recht. Ze legt haar armen losjes naast haar lichaam en schuift haar voeten een ietsje van elkaar. Een houding waarin ze zich gemakkelijk kan ontspannen. Ze probeert haar geest tot rust en kalmte te dwingen. Er is nog niets verloren. Het is kwart over vijf en het duurt nog anderhalf uur voordat de wekker gaat. Ze moet proberen nog even te slapen. Ze moet zich ontspannen, aan leuke dingen denken, afleiding zoeken. Er vooral niet aan denken dat het al ver in de ochtend is en dat ze nog geen twee uur heeft geslapen. Er niet aan denken wat dat voor gevolgen heeft voor de volgende dag, want dan valt ze helemaal niet meer in slaap.
Waarom denkt ze er dan toch weer aan? Ze weet immers hoe het werkt. Hoe harder zij de slaap najaagt, hoe verder hij bij haar vandaan rent. Ze kan hem blijven volgen, maar hij is altijd sneller. Het is een vicieuze cirkel, waaraan ze zich niet kan onttrekken. De nacht weerhoudt haar hiervan.
Als ze beseft dat ze niet meer in slaap zal vallen, opent ze haar ogen. Ze luistert naar de geluiden van de ontwakende dag. De mens herovert zijn plaats in de wereld. Af en toe rijdt er een auto over de provinciale weg, die achter het huis ligt. Ze hoort gerommel bij de buren. Iemand gaat de trap af. De WC wordt doorgetrokken. Gordijnen worden opengeschoven. Een bijna dagelijks terugkerend ritueel, dat haar vertelt dat het half zeven is. Ze wil het niet geloven. Ze kan het niet geloven.
Ze draait haar hoofd naar de wekker en ziet dat de dag zich niet heeft vergist. Het is vijf over half zeven.

Een middag in de achtste week.

,,Slaap je nu nog steeds niet?”
,,Nee.”
,,Maar ga dan toch een keer naar je huisarts.”
,,Wat kan hij nu doen?”
,,Met je praten. Erachter komen waarom je niet slaapt.”
,,Ik ben bang dat hij een slaapmiddel voorschrijft.”
,,Misschien is dat wel nodig.”
,,Maar ik wil het niet. Straks raak ik nog verslaafd ook.”
,,Wil je dan op deze manier doorgaan soms?”
,,Nee, dat ook niet. Ik weet niet wat ik moet.”

Een avond in de negende week.

Het is elf uur. De film waarnaar ze kijkt is bijna afgelopen. Gespannen zit ze op de bank. Ze probeert de film te volgen, maar het lukt niet. Haar hoofd is gevuld met één ding: ze moet bijna naar bed en ze wil niet. Ze zou willen dat ze het zonder slaap kon redden.
De film is af. Ze probeert uitstel te krijgen door voor te stellen nog even een glas wijn te drinken. Hij trapt er niet in. Het is laat en hij moet morgen vroeg op. Ze begrijpt dat hij gelijk heeft.
Traag sleept ze zichzelf de trap op. Het kost haar moeite om haar benen op te tillen, elke tree vormt een bijna onoverkomelijke hindernis. Toch vordert ze. Als ze bijna boven is kan ze haar slaapkamer inkijken. Ze ziet het bed staan. Groots en onoverwinnelijk. Klaar om de strijd aan te gaan. De houten poten staan vastberaden op de grond, als van een buldog die weet dat hij sterker is.
Snel loopt ze door naar de badkamer. Even leunt ze op de wasbak. Ze voelt de spanning die zich als een klemmende doek om haar schouders geslagen heeft. Haar hoofd voelt zwaar, haar geest maalt nu al. Als ze weer niet slaapt, wat dan?
Ze ziet de komende nacht langs haar geestesoog trekken. Na een korte, onrustige slaap zal ze wakker worden. Ze zal een uur, misschien wel twee uur in haar bed blijven liggen. De wanhoop nabij. Ze zal haar bed uitgaan en minstens een uur beneden zitten. Ze zal huilen, ze zal schreeuwen. Om vijf uur zal ze haar bed weer opzoeken en daar tevergeefs wachten op een gast die haar niet meer wil bezoeken.
Ze richt haar hoofd op en kijkt in de spiegel. Een paar angstige ogen kijken haar smekend aan. Ze blijft kijken naar die twee donkere ogen in dat bleke gezicht. Doe iets, schreeuwen ze haar toe. We houden het zo niet langer vol. Ze brengt haar hoofd dichter bij de ogen. Ze hebben gelijk. Ze moet iets doen.
,,Morgen ga ik naar de dokter”, belooft ze zacht.

Delen mag natuurlijk altijd