Even geduld a.u.b.

Dit verhaal is gepubliceerd in de verhalenbundel ‘Over Tijd: teksten van zeventien schrijvers over het thema tijd’ (Hoorn, Sisyfus, maart 1992).
Het verhaal ontroert mij nog steeds. Ik haalde mijn inspiratie uit de kleiner wordende wereld van mijn oma.

Even geduld a.u.b.

Het televisietoestel wierp een flets licht op haar oude ge­zicht. Haar ogen tuurden naar het scherm en lazen de bood­schap. EVEN GEDULD A.U.B., stond er. Lichte letters op een donkere achtergrond. Ze leken van het scherm af te willen springen. Een klok zette de boodschap kracht bij. Eén van de wijzers bewoog met een sprongetje van streepje naar streepje. Opgewekt deed hij de seconden verstrijken.
Toen de springende wijzer een aantal malen zijn ronde had gedaan, besloot ze dat ze genoeg geduld had opgebracht. Voor­zichtig tilde ze zichzelf uit haar armstoel, schuifelde naar het toestel en schakelde het uit. Met toegeknepen ogen keek ze naar het beeld, dat zich verwrong tot een dunne, lichtende streep. Toen ook de streep verdwenen was ging ze weer terug naar haar stoel. Ze plaatste haar handen op de leuningen en liet zich zakken. Eenmaal neergekomen op de groen-gele zitting richtte ze haar hoofd op en keek weer naar het toestel. Nu naar een dood beeld, waarin ze zichzelf weerspiegeld zag. Een stilleven: `oude vrouw op stoel, wachtend’.
Ze had het kastje cadeau gekregen van de kinderen, toen ze tachtig werd. `Om de tijd te doden’, hadden ze erbij gezegd. En terwijl ze naar het toestel en haar spiegelbeeld keek, vroeg ze zich af of het gedaan had waarvoor het bedoeld was.
Met een lichte zucht strekte ze haar rug. Ze draaide zich naar het raam en keek naar buiten. Het was een mooie dag. Winter weliswaar, maar het zag er mooi uit. De zon scheen en zette de wereld in een helder licht. Op de kerkklok aan de overkant zag ze dat het bijna drie uur was. De zuster zou zo komen, met haar tweede dosis dagelijks medicijn. Zeven pillen in een plastic kabouter-bekertje. Er zaten pijnstillers bij en een slaap­tabletje, dat was haar verteld. Maar waar die felge­kleurde capsules voor waren? Zij wist het niet. Toch nam ze de medicijnen elke dag trouw in, want ze zeiden dat het goed voor haar was.
Ze voelde zich moe worden. Haar lichaam en geest protesteerden tegen het leven. Ze legde haar handen in haar schoot, probeer­de zich te ontspannen en liet haar hoofd wat zakken. Ze zat goed zo.
Een gehaaste, maar opgewekte stem deed haar opschrikken uit haar rustig gemijmer. `Goedemiddag, tijd voor uw medicijn. Zie ik het goed dat uw brood nog op tafel staat? U moet wel goed eten hoor! We willen toch niet dat u ziek wordt? Kijk, ik zet ze hier voor u neer. Dag mevrouw.’ Ze hoorde hoe de deur gesloten werd en pas toen drong het tot haar door dat de zuster alweer verdwenen was. Ze had graag een praatje willen maken, juist vandaag. Gewoon wat vriendelijke woorden, een bedankje voor de goede zorgen. Maar zusters hadden altijd tijd te kort.
Weer zag ze zichzelf zitten, gevangen in haar televisietoe­stel. Nu in het gezelschap van een klein bekertje dat naast haar op de hoek van de tafel stond. Ze pakte het op en hield het tegen het licht, keek er eens in en zette het weer terug op tafel. Ze pakte het glas water, dat ze eerder al had klaar­gezet, en dronk het leeg. De pillen liet ze voor wat ze waren.
In het midden van de tafel stond haar nog bijna onaangeroerde lunch. Twee volkoren sneetjes: één met Goudse kaas en één met aardbeienjam. Een beker melk om het brood mee weg te spoelen en een sinaasappel voor de vitam­inen. Ze had één hap van het sneetje met kaas genomen en had het toen weer teruggelegd op het bord, dat ze met een vies gezicht van zich had afge­schoven.
Ze strekte haar arm uit en wist met haar wijsvinger de sinaas­appel een klein tikje te geven. Aarzelend rolde hij naar haar toe. Toen ze zag dat hij niet van tafel zou vallen, boog ze zich voorzichtig voorover en pakte de krant van gister­en uit de kranten­bak. Behoedzaam vouwde ze hem open en legde hem op haar scho­ot. Daarna pakte ze de sinaas­appel en begon hem aandachtig te pellen. Beetje voor beetje ontbloo­tte zij de vrucht. Toen ze ook de laatste gele draden had weg­getrokken, leunde ze voldaan achterover. De hele operatie had drie kwar­tier in beslag genomen.
Ze legde de sinaasappel bij zijn schillen, vouwde de krant dicht en liep naar de keuken. Voetje voor voetje, steun zoe­kend bij de stoelen en het oude dressoir. Ze legde het pak­ketje op het aanrecht en draaide de kraan open. Ze hield haar handen onder het stromende water en zag op haar klokje dat het vijf over half vijf was. Ze draaide de kraan dicht en droogde haar handen af. Even bleef ze staan, leunend tegen het aan­recht. Naar lucht happend. Een mengeling van ongeduld en angst drukte op haar borst.
Ze zou even naar bed kunnen gaan. Misschien kon ze dan wat tot rust komen. Ze schuifelde de keuken uit naar haar ledikant, dat statig in de hoek van de kamer stond. Met haar jurk nog aan ging ze liggen. Doodstil, met haar armen strak langs haar lichaam. Bang een beweging teveel te maken. Ze staarde naar het plafond en langzaam keerde de rust in haar terug. Ze zou nu op kunnen staan, maar deed dat niet. Ze lag daar gewoon te liggen en dat beviel goed. Ze sloot haar ogen.
Ergens ver weg hoorde ze het vertrouwde getik en geklop van de verwarming. Metaalachtige klanken, afwisselend luid en zacht. Soms in een fel staccato, dan in een rustig pianissimo. Ter­wijl de ene klank lang doorklonk in de metalen buizen, ratel­den andere er dwars doorheen. Het leek wel een orkest van enkel slagwerkers, die zich niet aan dezelfde maat wensten te houden. Ze nam het hen niet kwalijk.
Ze liet zich meevoeren met het orkest. Er werd een feestmars ingezet. Ze marcheerde achter hen aan, over een brede laan met hoge, groene bomen. Het publiek wuifde haar toe met vlaggetjes. Op de achtergrond hoorde ze klokken luiden. Met een glimlach liep ze verder. Ze begreep dat haar geduld beloond werd en ze voelde hoe ze langzaam werd weggevoerd.

Delen mag natuurlijk altijd