Krantenmeisje

Mijn kamer is nog dezelfde als vier weken geleden. Niets veranderd. De balletposter aan de muur hangt er nog. Mijn moeder had hem weg kunnen halen. Dat heeft ze niet gedaan. Misschien maar goed ook. Juist het verdwijnen ervan zou pijnlijk zijn. Ik wil geen balletdanseres worden. Ik dans gewoon graag. Danste. Het is wennen om in de verleden tijd over mezelf te praten.

Probeer aan iets leuks te denken, zeggen ze. Het leidt je af en het bevordert het herstel. Dus ik doe mijn best. Op de muur tegenover mij hangt een poster van de plattegrond van Rome. Dat was leuk. Met de hele klas door de stad slenteren, rond blijven hangen in het Pantheon omdat ik wilde zien hoe het licht verschuift, een terrasje pakken op het Piazza Navona en er niet aan denken dat je voor één glas cola heel veel kranten rond moet brengen.

Over twee maanden gaat mijn school op skireis. Ik had me al aangemeld.

Ze zeggen dat ik van geluk mag spreken. De tassen achterop hebben de ergste klap opgevangen. Ik bracht kranten rond, toen jij ineens opdook. Uit het niets. Vanuit het donker. Heel kort zag ik mijn schaduw in het schijnsel van jouw koplampen. Daarna de klap. Ik wil niet denken aan de klap. Ik moet aan iets leuks te denken.

Justin Bieber. Hij hangt boven me, links en rechts van me. Hij is overal in deze kamer. Ik ga terug naar dat onvergetelijke concert. Met mijn vriendinnen naar Arnhem. We hadden bijna de trein gemist en we moesten rennen. Drie giechelende meiden. De conducteur wachtte op ons. We hebben genoten en gelachen. Fleur en Sophie zijn één keer bij me geweest. In het ziekenhuis. Ze zaten naast mijn bed, dicht tegen elkaar aan. Ze hielden elkaars hand vast. Niet die van mij. Daarna heb ik ze niet meer gezien. Ik snap dat wel. Het is moeilijk als je zestien bent.

Mijn rug doet pijn. Ik wil me op mijn zij draaien, maar dat kan ik niet. Ik heb daar hulp bij nodig. Daarom heb ik een belletje bij mijn bed. Maar ik heb zojuist ook al gebeld, ik had de po nodig, en ik wil mijn moeder niet te vaak tot last zijn. Ik moet proberen aan iets leuks te denken. Dat helpt, zeggen ze, maar dat valt niet mee als je plassen moet.

De artsen zeggen dat ik het gevoel in mijn benen terug kan krijgen. Op den duur. Revalidatie zal minstens een half jaar duren, zeggen ze. Nu is rust nodig. Mijn hoofd raakte de grond hard toen jouw auto mijn fiets raakte. Waarom reed je door? Waarom ben je niet gestopt? Uitgestapt? Weet je hoe lang ik daar in het donker alleen op de grond heb gelegen?

Ik moet aan leuke dingen denken, maar ik heb alleen mijn herinneringen. Herinneringen waarin ik kan rennen, dansen, slenteren. Ik denk daarom het liefst aan de agent die aan mijn bed zal staan om te zeggen dat ze je gevonden hebben.

Delen mag natuurlijk altijd